Huwelijkse voorwaarden en partneralimentatie

Francesco van der Linden

Voor of tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap kunnen (toekomstig) echtgenoten of (toekomstig) geregistreerd partners, huwelijksvoorwaarden laten opstellen. Bij huwelijkse voorwaarden wordt vaak gedacht dat deze bedoeld zijn om de vermogensrechtelijke afwikkeling in het geval van echtscheiding of ontbinding geregistreerd partnerschap (op voorhand) te regelen en om aansprakelijkheden te reguleren. In de meeste gevallen is dat ook de bedoeling, maar de wet stelt partijen nauwelijks grenzen bij het opstellen en inrichten van hun huwelijksvoorwaarden. De wet stelt slechts dat huwelijksvoorwaarden bij notariële akte moeten worden aangegaan en dat ze niet in strijd mogen zijn met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde. Voorts stelt de wet dat niet kan worden bepaald dat een van de partners meer schulden dan goederen krijgt en dat zij niet kunnen afwijken van de rechten die uit het ouderlijk gezag voortvloeien, of van de rechten die de wet aan een langstlevende echtgenoot toekent.

De vraag die dan opkomt is of het mogelijk is om reeds in huwelijksvoorwaarden op te nemen dat bij echtscheiding of ontbinding geregistreerd partnerschap, partijen jegens elkaar niet gehouden zijn om een partneralimentatie te voldoen (het zogenaamde ‘nihilbeding’). In de literatuur wordt daar verschillend over gedacht. Uit de rechtspraak blijkt dat er toch met enige regelmaat over wordt geprocedeerd. In 1980 en 1996 oordeelde ons hoogste rechtscollege dat een afspraak waarbij over en weer wordt afgezien van partneralimentatie, slechts kan worden bepaald bij overeenkomst tijdens het huwelijk aangegaan met het oog op een voorgenomen echtscheiding. Met andere woorden: een dergelijke afspraak kan slechts worden neergelegd in een echtscheidingsconvenant.

Vervolgens is het enige jaren stil in de rechtspraak, totdat de rechtbank Den Haag in 2005 een oordeel moest vellen over de situatie waarbij echtgenoten in hun huwelijksvoorwaarden hadden opgenomen dat bij het eindigen van het huwelijk, de man aan de vrouw een alimentatie diende te voldoen van ƒ 40.000,00 per jaar. De notaris die de huwelijksvoorwaarden had opgesteld, was creatief en dacht ongetwijfeld: “Als opneming van een nihilbeding nietig (niet geldig) is, dan is een afspraak over een na echtscheiding verschuldigd gespecificeerd partneralimentatiebedrag wèl geldig”. De rechtbank gaf de notaris deels gelijk en oordeelde dat slechts die voorhuwelijkse overeenkomsten rechtsgeldig zijn die een bijdrage vaststellen welke gelijk of hoger is dan de wettelijke maatstaven. Als wettelijke maatstaven gelden de behoefte van de alimentatiegerechtigde en de (onderlinge) draagkracht van partijen. Het gaat dit artikel te buiten om dieper in te gaan op deze wettelijke maatstaven en ik zal dit dan ook (moeten) bewaren voor een later artikel.

Op één uitspraak na (wat toch wel een vreemde eend in de bijt is) valt uit de verdere rechtspraak te herleiden dat het opnemen van een nihilbeding in huwelijksvoorwaarden nietig is en dat slechts afspraken over de partneralimentatie kunnen worden gemaakt voor zover de afgesproken alimentatie gelijk of hoger is dan de wettelijke alimentatie. Of dat laatste het geval is, wordt uiteraard pas beoordeeld op het moment van echtscheiding of ontbinding geregistreerd partnerschap.

Let u wel op: als er in de huwelijksvoorwaarden een partneralimentatiebedrag wordt afgesproken dat bij einde huwelijk respectievelijk geregistreerd partnerschap hoger blijkt te zijn dan de wettelijke maatstaven, dan bent u daar wel aan gebonden.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Francesco van der Linden. Het artikel van Francesco is gepubliceerd in het online scheidingsmagazine Nieuwe Stap.

Laat een bericht achter