Ondernemers opgelet: letterlijk is leidend bij bankgaranties!

Arjen Douma

Zo bevestigt ons hoogste rechtscollege nog eens in een recente uitspraak van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2297). Het formuleren van (bank)garanties luistert uiterst nauw! Banken (en andere professionele garantieverstrekkers) zullen deze les vermoedelijk wel ter harte nemen. Allicht zullen zij hun modellen aanpassen naar aanleiding van dit arrest, dat pijnlijk duidelijk maakt dat voortijdige juridische hulp bij het redigeren of beoordelen van garanties of andere zakelijke overeenkomsten, zeker geen overbodige luxe is.

Bij geschillen tussen contractanten over hoe een bepaalde clausule in hun contract moet worden geduid, is een zuiver taalkundige uitleg doorgaans niet doorslaggevend. Het komt veelal aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de vraag wat partijen mogen verwachten is van belang tot welke maatschappelijke kringen zij behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. Aldus formuleerde de Hoge Raad al in de jaren ’80 van de vorige eeuw het zogenaamde ‘Haviltex-criterium’.

Dit criterium kan enkel worden toegepast indien beide partijen ook daadwerkelijk actief bij de totstandkoming van een overeenkomst betrokken zijn geweest. Dat is lang niet altijd het geval. Zo zijn  individuele werknemers op wie CAO-bepalingen van toepassing zijn, in de regel niet bij de totstandkoming van de CAO betrokken geweest. Bij de uitleg van CAO-bepalingen zijn daarom de letterlijke bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis, zo bepaalde de Hoge Raad begin jaren ’90. Dit is vervolgens de ‘CAO-norm’ gaan heten.

Dat zich in het grijze gebied tussen ‘Haviltex‘ en ‘CAO-norm’ een glijdende schaal bevindt waarop in meer of mindere mate belang moet worden gehecht aan de bedoelingen van partijen (en dus in meer of mindere mate sprake moet zijn van ‘grammaticale interpretatie’), werd in 2004 duidelijk in het arrest DSM/FOX, dat handelde over de uitleg van een pensioenreglement. Of gekozen moet worden voor een subjectieve of een meer objectieve uitleg, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Bij de uitleg van een abstracte bankgarantie (zoals bijvoorbeeld conform het veelgebruikte ‘Rotterdams Garantieformulier’) komt volgens ons hoogste rechtscollege ‘groot gewicht toe aan de (strikt te lezen) bewoordingen ervan’, zoveel is duidelijk geworden met de uitspraak uit december vorig jaar.

De casus: Ballast Nedam heeft de opdracht aangenomen voor de bouw van het Hilton Hotel te Schiphol. Voor de levering en plaatsing van de gevelbeplating van het hotel maakt zij gebruik van de diensten van onderaannemer Rollecate. Deze betrekt de gevelelementen op haar beurt van leverancier Polux. Omdat Polux de fabricage van de specifieke platen niet wil/ kan voorfinancieren, spreken Rollecate en Polux (vooruit)betalingen in termijnen af, waarbij Polux ter meerdere zekerheid een bankgarantie aan Rollecate dient te verstrekken. Polux heeft Rabobank bereid gevonden tot verstrekking van een tweetal bankgaranties. Polux wordt in maart 2014 failliet verklaard, waarna Rollecate bij Rabobank een beroep doet op de beide garanties. Rabobank weigert betalingen uit hoofde van de tweede garantie (in totaal groot: € 137.000,00).

Tussen Rabobank en Rollecate ontstaat een geschil over de uitleg van de garantietekst. Deze luidt onder meer dat het gegarandeerde bedrag vanaf € 0,00 trapsgewijs wordt opgehoogd met de ontvangst door Polux van een achttal specifieke deelbetalingen van Rollecate, zulks per acht specifieke betaaldata. Het geval wil dat van de acht betalingen, er zes zijn geschiedt (kort) ná de in de bankgarantie genoemde respectieve betaaldata. Rabobank stelt zich daarom – kort samengevat – op het standpunt dat iedere te late betaling tot gevolg heeft dat de corresponderende ‘trede’ moet worden overgeslagen en niet kan worden geclaimd. Rollecate meent daarentegen dat iedere te late betaling moet worden toegerekend aan de opvolgende trede; zij eist uitbetaling van € 108.000,00.

De rechtbank wijst de vordering van Rollecate in eerste instantie af. Gerechtshof en Hoge Raad hakken de Gordiaanse knoop door met een strikt objectieve uitleg van het contractuele voorschrift ‘dat “het bedrag van de bankgarantie” vanaf nihil met een in de bankgarantie genoemd bedrag wordt verhoogd zodra dat bedrag uiterlijk op een bepaalde dag is gestort bij de bank’. Een grammaticale uitleg van deze zinsnede brengt volgens de Hoge Raad met zich dat voor zover de door Rollecate gedane betalingen te laat waren voor de beoogde termijn, maar op tijd voor de volgende termijn, de bankgarantie met de aldus tijdig gedane volgende betaling werd verhoogd. Het betoog van Rabobank dat redenering niet kan worden gevolgd omdat in de tweede bankgarantie staat vermeld ‘conform onderstaand schema’ gaat niet op, omdat uit deze bewoordingen niet volgt dat indien een eerdere betaling niet tijdig is gestort, een volgende tijdige betaling nooit meer tot een verhoging van de bankgarantie kan leiden. Indien een dergelijk (verstrekkend) gevolg was beoogd had dit volgens de Hoge Raad duidelijk met zoveel woorden in de bankgarantie moeten zijn vermeld. Rollecate kan aan het einde van de rit aanspraak maken op € 84.000,00.

Rollecate trok hier weliswaar uiteindelijk aan het langste eind (althans gedeeltelijk), maar moest daar wel vier en een half jaar voor procederen. Voorkomen is beter dan genezen. Voor hulp bij het redigeren en/of beoordelen van garanties of andere zakelijke overeenkomsten kunt u contact opnemen met mr A.S. Douma.

Laat een bericht achter