Oproepkrachten en vaste uren; enkele praktische tips

Frederike Werts

Sinds 1 januari 2020 moeten werkgevers aan oproepkrachten van wie de oproepovereenkomst 12 maanden heeft geduurd een aanbod doen voor een arbeidsovereenkomst met vaste uren. Dit op basis van het gemiddelde van het vorige jaar. Het aanbod moet binnen één maand na afloop van het jaar worden gedaan, dus in maand 13. Doet een werkgever dit niet, dan bestaat er wel automatisch een recht voor de werknemer op betaling voor het gemiddeld aantal uren van het voorgaande jaar. Als de werkgever daarna de werknemer voor te weinig uren heeft ingezet en dus ook te weinig heeft betaald, heeft de werknemer een loonvordering. En die verjaart pas na 5 jaar. Het kan dus flink in de papieren lopen als deze regeling door de werkgever per ongeluk jarenlang over het hoofd is gezien. Want die vordering wordt in het algemeen ook nog eens verhoogd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van veelal 10% maar maximaal 50%.

Als een werknemer het aanbod tot vaste uren weigert, kun je als werkgever wel weer 1 jaar verder op basis van een werkelijke oproepovereenkomst. Het advies is dus: agendeer de einddatum en de termijnen van oproepovereenkomsten goed. Doe uiterlijk in de 13e maand van het dienstverband een schriftelijk aanbod voor de gemiddelde vaste uren. Dit kan overigens ook een aanbod zijn voor een gemiddeld aantal uren per jaar, met per maand wisselende inzetbaarheid tegen een vaste maandelijkse betaling van 1/12 van het jaargemiddelde. Dat geeft de werkgever toch nog enige flexibiliteit in inzetbaarheid. De uiterlijke ingangsdatum van het vaste urencontract is de eerste dag van de 15e maand. Leg bij afwijzing van het aanbod dit ook goed schriftelijk vast en agendeer opnieuw dat er uiterlijk 12 maanden na het laatste aanbod (dus in maand 25) een nieuw aanbod moet worden gedaan.