Slapende dienstverbanden-wakker worden!

mr. Eric-Jan Krijgsman

Op 8 november jl. heeft de Hoge Raad –ons hoogste rechtscollege- een belangrijke uitspraak gedaan over de zogeheten slapende dienstverbanden. Dit zijn dienstverbanden van zieke werknemers aan wie geen loon meer verschuldigd is terwijl de dienstverbanden nog wel voortduren. Voor veel werkgevers was het tot voor kort een makkelijke en goedkope oplossing deze dienstverbanden te laten ‘slapen’ omdat geen loon meer verschuldigd was en bij beëindiging van het dienstverband wel een ontslagvergoeding moest worden betaald. Deze ontslagvergoeding (transitievergoeding) is immers (sinds de invoering van de WWZ op 1 juli 2015) ook verschuldigd bij beëindiging van dienstverbanden van zieke werknemers.

Gedurende lange tijd bestond discussie of het nu wel zo redelijk was dat de werkgever het dienstverband in stand hield, met name om zo onder betaling van de transitievergoeding uit te komen. In dat kader rees de vraag of het niet van een werkgever kon worden verlangd op verzoek van de werknemer over te gaan tot beëindiging van het dienstverband (met betaling van een transitievergoeding). Toch bleek dit bij de rechter geen uitgemaakte zaak. In dat kader is door rechtsgeleerde schrijvers ook wel bepleit dat een eerder ontwikkelde maatstaf over de wijziging van een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever (de zogeheten Stoof/Mammoet maatstaf) ook in de spiegelbeeldige situatie zou moeten gelden, waarbij de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer zou worden beëindigd.* Meer concreet rees de vraag of een werkgever in redelijkheid gehouden is een voorstel van de werknemer tot beëindiging van een slapend dienstverband te aanvaarden, onder toekenning van de transitievergoeding. Onder meer deze (laatste) vraag is in drie prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Hoge Raad heeft deze vraag, zo ook een vierde vraag, in zijn prejudiciële beslissing van 8 november jl. –samenvattend- als volgt beantwoord.

Prejudiciële beslissing Hoge Raad

  • In de eerste plaats heeft de Hoge Raad onderzocht of de Stoof/Mammoet-maatstaf zich leent voor omgekeerde toepassing. Daarbij legt de Hoge Raad nog even uit wat die maatstaf inhoudt, te weten dat moet worden onderzocht (i) of de werkgever in gewijzigde omstandigheden op het werk als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en (ii) of het door hem gedane voorstel redelijk is en (iii) of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden.
  • De Hoge Raad heeft in de eerste plaats overwogen dat de omgekeerde toepassing van de Stoof/Mammoet-maatstaf niet aan de orde is, althans deze maatstaf is niet geschikt is om te beoordelen of de werkgever gehouden is om een voorstel van de werknemer tot beëindiging van een slapend dienstverband te aanvaarden.
  • Nadat de Hoge Raad heeft overwogen dat geen ruimte is voor een omgekeerde toepassing van de Stoof-Mammoet-maatstaf, overweegt de Hoge Raad dat het alsnog in strijd is met de norm van goed werkgeverschap een slapend dienstverband te laten voortduren terwijl de werknemer verzoekt het dienstverband te beëindigen. De Hoge Raad overweegt dat als uitgangspunt geldt dat een werkgever op grond van de norm van goed werkgeverschap (als vervat in artikel 7:611 BW) gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Daarbij geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen.
  • De Hoge Raad vervolgt dat op voormeld uitgangspunt wel een uitzondering moet worden gemaakt als – op grond van door de werkgever te stellen en zonodig te bewijzen omstandigheden – de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Zo’n belang kan niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.
  • Ook overweegt de Hoge Raad dat het recht op een transitievergoeding na twee jaar ziekte bestaat ongeacht de aanspraak van de werkgever op de zogeheten compensatieregeling (op grond van de Wet compensatieregeling transitievergoeding). Op grond van deze regeling kan de werkgever met ingang van 1 april 2020 (met terugwerkende kracht voor arbeidsovereenkomsten die op of na 1 juli 2015 zijn geëindigd) voor de betaling van deze transitievergoeding (deels) gecompenseerd worden door het UWV. Dit staat echter los van het bestaan van het recht op transitievergoeding. Het is dus niet zo dat de werknemer slechts dat bedrag ontvangt dat de werkgever van het UWV ingevolge voormelde regeling gecompenseerd zou krijgen (hetgeen immers minder kan zijn).

Iedereen tevreden?

Al met al lijkt het goed dat de Hoge Raad duidelijkheid heeft gecreëerd in die zin dat nu duidelijk is dat het in stand houden van een slapend dienstverband niet redelijk is, althans dat dat in strijd komt met de norm van goed werkgeverschap. Indien de werknemer het slapende dienstverband wil beëindigen, moet de werkgever daaraan meewerken, onder toekenning van de transitievergoeding. Ook de vakbonden FNV en CNV zijn blij met de uitspraak van de Hoge Raad, die voordelig is voor de (zieke)werknemer. Anderzijds wordt het arrest ook wel kritisch ontvangen. Zo wijst hoogleraar arbeidsrecht prof. dr. mr. E. Verhulp, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, in een artikel in de Volkskrant (van 8 november jl.) op de keerzijde voor de maatschappij. Immers, de transitievergoeding die door de werkgever zal moeten worden betaald, zal deels worden gecompenseerd door het UWV en dat is geld dat moet worden betaald uit de loonsom (en daarmee door de maatschappij). Ook wijst hij erop dat de transitievergoeding is bedoeld om een ontslagen werknemer te ondersteunen bij het vinden van nieuw werk hetgeen in beginsel niet aan de orde is bij een langdurig zieke werknemer die leeft van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, aldus de hoogleraar.

Hoe het ook zij, we zullen we het –voorlopig- met de uitspraak van de Hoge Raad moeten doen; de slapende dienstverbanden zullen dan ook wakker moeten worden geschud als de werknemer dat wil. Is bij u ook sprake van een slapend dienstverband en wilt u dat daar een einde aan komt? U bent van harte welkom hierover met mij van gedachten te wisselen.

Ook voor andere specifieke vragen op arbeidsrechtelijk terrein kunt u bij mij terecht voor snel en gedegen advies.

*In de rechtsgeleerde literatuur ook wel als Foots-maatstaf geduid

Laat een bericht achter