Tuchtklacht tegen bestuurder van een zorginstelling

Anne Vokurka-Viruly

Veel bestuurders van zorginstellingen zijn zelf ook zorgverlener. Op 9 juli 2021 boog het Centraal Tuchtcollege zich weer eens over een tuchtklacht tegen een zorgbestuurder. Dit keer werden alle klachten afgewezen. Maar hoe zat het ook alweer, een klacht tegen een zorgbestuurder?

Tegen iedereen die een BIG-registratie heeft, kan een tuchtklacht worden ingediend. Ook tegen BIG-geregistreerden in hun rol als zorgbestuurder. Dit was al zo, maar per 1 april 2019 is dit ook expliciet in de Wet BIG vastgelegd. Tuchtcolleges kunnen nu ook aan de wettekst toetsen of er gehandeld is “in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt”. Met deze “tweede tuchtnorm” kan ook het handelen worden getoetst van een zorgverlener in een leidinggevende of bestuurlijke rol. Er hoeft dan geen sprake te zijn van een concrete behandelrelatie met een patiënt.

Toch kan niet ál het handelen van BIG-geregistreerde zorgbestuurders tuchtrechtelijk worden getoetst. Daarvoor gelden namelijk drie belangrijke beperkingen. Ten eerste moet het handelen dat getoetst wordt, wel zijn “weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg”. In feite moet het handelen dus wel van invloed zijn op concrete behandelrelaties. Ten tweede moet er voor de bestuurder voldoende ruimte blijven om te kúnnen besturen. Zo moet een bestuurder beleidskeuzes kunnen maken waar niet alle patiënten op vooruit gaan, bijvoorbeeld door financiële afwegingen ingegeven. Tot slot moet de bestuurder zich bij het handelen dat getoetst wordt, wel begeven op het deskundigheidsgebied van hem/haar als arts. Dit derde aspect speelt in deze uitspraak de hoofdrol.

Waar de klacht in detail op zag, voert voor deze blog te ver. De behandelaar wordt in het kort verweten te laat de diagnose MS te hebben gesteld. Die parallelle tuchtzaak eindigt in een waarschuwing (zie hier, overigens op niet-zorginhoudelijke gronden). Tegen de bestuurder worden vijf andere klachten ingediend. Zo klaagt de patiënt tegen de bestuurder over de vormgeving van de afdeling neurologie en over invoering van wetgeving rondom het elektronisch patiëntendossier.

Het Centraal Tuchtcollege houdt het ten opzichte van de bestuurder kort. Bij dit bestuurlijke handelen heeft de BIG-geregistreerde zich niet begeven op haar deskundigheidsgebied als gynaecoloog. Het handelen wordt daarmee als niet tuchtrechtelijk toetsbaar beoordeeld. Klager is niet-ontvankelijk.

Ergens is de uitspraak onbevredigend. Was dit anders geweest, als het gedraaid had om het vormgeven van de afdeling gynaecologie (in plaats van neurologie)? Of als het invoeren van wetgeving meer had geraakt aan haar deskundigheid als gynaecoloog? Dat lijkt mij niet. Al met al valt de uitspraak echter in een lijn van eerdere uitspraken. Bestuurders kúnnen tuchtrechtelijk getoetst worden in hun hoedanigheid van bestuurder. Het aantal tuchtrechtelijke veroordelingen is echter (nog) zeer beperkt, en deze uitspraak is daarin niet anders.