Verplicht vaccineren op last van de rechter

Marlies van Kuijk-Wesdorp

Met de komst van de nachtvorst, kijken we terug op een verhitte zomer. Een zomer waarin niet alleen de buitentemperaturen hoog opliepen, maar ook de maatschappelijke discussies over vaccineren. Pro- en anti-vaxxers kwamen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Opmaat daartoe vormde het jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma 2017, waaruit bleek dat de vaccinatiegraad opnieuw is gedaald. Gevolg van die daling? De groepsimmuniteit is in het geding; niet alleen ongevaccineerde kinderen lopen een gezondheidsrisico, ook andere, kwetsbare mensen hebben de kans om doodziek te worden. Of zelfs te overlijden. Daarom werden er proefballonnen opgelaten over verplicht vaccineren, werd er gesproken over vaccinatie als voorwaarde voor toelating op de kinderopvang, over het financieel korten van ouders die hun kinderen niet laten inenten en werd de zaak zwaar bevochten op sociale media.

Een discussie die voorlopig nog niet zal luwen. Vanaf vandaag start het RIVM namelijk met een vaccinatie voor jongeren die beschermt tegen meningokokken A, C, W en Y. Iedereen dit jaar tussen 1 mei en 31 december 14 jaar wordt, krijgt een uitnodiging voor een prik. In 2019 volgt een uitnodiging voor alle jongeren tussen de 14 en 18 jaar. Zij zijn niet de enige groep die de uitnodiging krijgen; sinds mei is de vaccinatie al opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma voor kinderen van 14 maanden. De reden? Een toename van het aantal mensen die ziek worden van meningokokken W, een bacterie die hersenvliesontsteking of bloedvergiftiging kan veroorzaken, die zich snel kan ontwikkelen tot een shock waaraan veel mensen overlijden.

Voor en tegenstanders zullen ook met deze nieuwe vaccinatie weer van zich laten horen. En jongeren en hun ouders of verzorgers zullen – onder de huidige regelgeving – zelf een afweging mogen maken of zij wel of niet willen laten vaccineren.

Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Zijn ouders het niet eens over het al dan niet vaccineren van hun kind, dan wel verschillen ouder(s) en de jeugdbescherming hierover van mening, dan kan de rechter een knoop doorhakken. De rechter kan dus beslissen dat een kind gevaccineerd moet worden. Of juist niet gevaccineerd mag worden.

Hoe zit dat?

Een vaccinatie dient ertoe om te voorkomen dat iemand ziek wordt en is daarmee een medische behandeling in de zin van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Voor medische behandeling van kinderen onder de 12 jaar geldt dat de wettelijke vertegenwoordigers beslissen. Vaak zijn dit de (met het gezag belaste) ouders van het kind. Zitten de ouders voor wat betreft het vaccineren van hun kind op één lijn, dan kunnen zij samen beslissen. Verschillen zij van mening en is er gezamenlijk ouderlijk gezag, dan kan één van de ouders de rechtbank vragen om vervangende toestemming voor de vaccinatie(s). De toestemming van de rechtbank treedt dan in de plaats van de toestemming van de andere ouder. Is de jeugdbescherming betrokken, dan kan zij – of specifieker de gecertificeerde instelling – eveneens vragen om vervangende toestemming.

Voor jongeren vanaf 12 jaar ligt dit anders; zij mogen zelf (mee)beslissen over de behandeling. Verschillen een minderjarige en diens wettelijk vertegenwoordiger van opvatting over de behandeling, dan is de opvatting van de minderjarige leidend.

Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat het volgen van het Rijksvaccinatieprogramma in principe in het belang van het kind wordt geacht. Daaraan ligt ten grondslag dat het programma als doel heeft om (jonge) kinderen te beschermen tegen schadelijke ziekten, het gevoerde overheidsbeleid bovendien door medici breed wordt gedragen en dat het programma ook binnen de maatschappij breed wordt gesteund. Dat neemt niet weg dat er goede redenen aanwezig kunnen zijn waarom een verzoek tot vervangende toestemming voor vaccinatie kan worden afgewezen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de specifieke medische situatie van het kind. Ook de godsdienst of levensovertuiging van (een van de) ouders kan grond zijn voor afwijzing van het verzoek door de rechter. Het is wel heel belangrijk goed te onderbouwen waarom de rechter een uitzondering moet maken en het verzoek dient af te wijzen.

De rechter is overigens kritischer als het gaat om vaccinaties die niet in het Rijksvaccinatieprogramma zijn opgenomen; zo werd eerder door de rechtbank besloten dat het enkele feit dat een kind een extra risico heeft om een mogelijk ernstig verloop van de (Mexicaanse) griep niet voldoende is om te kunnen spreken van een ernstig gevaar voor de gezondheid. Het verzoek om vervangende toestemming werd vervolgens afgewezen.

Houdt vaccineren u verdeeld? Of heeft u andere vragen over vervangende toestemming voor medisch handelen? Bel of mail gerust vrijblijvend voor informatie of advies met Marlies van Kuijk-Wesdorp.

Laat een bericht achter