Wijziging partneralimentatie terugwerkende kracht? De Hoge Raad herhaalt de thans geldende jurisprudentie

Hilde Dreesmann-Bruijntjes

Wanneer partijen wijziging van partneralimentatie verzoeken of wanneer in hoger beroep vernietiging van de vastgestelde alimentatie wordt verzocht, kan het voorkomen dat een eerder vastgestelde partneralimentatie naar beneden wordt bijgesteld. In de partkijk zien wij dat dit tot problemen leidt wanneer de rechter besluit dat de wijziging ingaat op een datum die is gelegen voor de beslissing van de rechter. Een dergelijk besluit betekent namelijk dat de alimentatiegerechtigde achteraf bezien te veel alimentatie heeft ontvangen. Moet dit terugbetaald worden?

Vaak zullen alimentatiegerechtigden, wanneer zij bijvoorbeeld geen andere inkomsten hebben dan de partneralimentatie, in de financiële problemen komen indien zij het teveel betaalde bedrag ineens moeten terugbetalen Dit geldt zeker in de gevallen waarin de procedure enkele maanden in beslag heeft genomen en iemand ineens de alimentatie van de afgelopen 12 maanden moet terugbetalen.

Zo ook in de casus die aanleiding heeft gegeven tot de uitspraak van de Hoge Raad van 19 juni 2020. Ook in die situatie was sprake van een gewijzigde partneralimentatie met terugwerkende kracht. Het huwelijk van partijen is in september 2017 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ontbonden. De rechtbank heeft bij beschikking in februari 2018 bepaald dat de man een bedrag aan partneralimentatie dient te betalen van € 5.700,00 bruto per maand en met ingang van 1 januari 2019 is dit bedrag verlaagd naar € 4.900,00 per maand.

De man is in hoger beroep gekomen van deze beschikking en heeft aangevoerd dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het Hof heeft bij beschikking in februari 2019 het door de man aan partneralimentatie te betalen bedrag verlaagd naar € 3.546,00 bruto per maand voor de periode van  februari 2018 tot juli 2018, naar € 1.675,00 bruto per maand over de periode van juli 2018 tot september 2019 en met ingang van 1 september 2019 heeft het hof de alimentatie op nihil gesteld. Het Hof motiveert deze beslissing door te stellen dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat zij onvoldoende heeft gesteld dat zij vanwege haar psychische gesteldheid niet kan werken.

Ten overvloede overweegt het Hof dat partijen in onderling overleg in staat moeten zijn om, in samenspraak met hun respectieve advocaten, tot een redelijke en billijke terugbetalingsregeling te komen.

De vrouw is het niet mee eens met deze beslissing en gaat in hoger beroep. Haar eerste klacht richt zich op het geleverde bewijs betreffende haar psychische gesteldheid. De vrouw voert aan dat zij met onder meer een verklaring van haar bedrijfsarts voldoende heeft onderbouwd en gesteld dat zij niet in staat is om te werken. Uit het rapport van de bedrijfsarts van 24 augustus 2017 blijkt dat de vrouw destijds volledig arbeidsongeschikt was. De Hoge Raad acht de klacht van de vrouw op dit punt gegrond.

Vervolgens heeft de vrouw geklaagd over de aanzienlijke terugbetalingsverplichting. In de onderhavige kwestie betreft de terugbetalingsverplichting in totaal € 34.000,00. De vrouw benadrukt dat zij geen ander inkomen heeft (en had) dan de maandelijkse partneralimentatie en dat zij er redelijkerwijs geen rekening mee had kunnen houden dat de partneralimentatie zo fors verlaagd zou worden met een terugbetalingsverplichting tot gevolg. De vrouw voert aan dat zij de ontvangen partneralimentatie heeft verbruikt.

De Hoge Raad zet de vaste rechtspraak in dit arrest nog eens uiteen. Op het moment dat een rechter de alimentatie wil wijzigen, moet de rechter behoedzaam gebruik maken van deze bevoegdheid. Dat betekent dat als de wijziging ingaat op een datum gelegen voor de uitspraak van de rechter, de rechter zich rekenschap moet geven van de (ingrijpende) financiële gevolgen voor de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige. Als de rechter tot een lager alimentatiebedrag komt, zal de rechter behoedzaamheid moet betrachten met betrekking tot het ingangsmoment.

De Hoge Raad geeft aan dat deze behoedzaamheid ook geldt voor de appelrechter, die ook de alimentatie kan wijzigen met ingang van een datum die is gelegen voor de uitspraak. Ook dan zal de rechter zich rekenschap moeten geven van de financiële gevolgen van deze beslissing en dient de appelrechter behoedzaam om te gaan de bevoegdheid om de alimentatie met terugwerkende kracht te wijzigen.

Een volgend criterium dat de Hoge Raad benoemt, is dat die behoedzaamheid met zich brengt dat de rechter naar aanleiding van het partijdebat (zowel schriftelijk als ter zitting) moet beoordelen in hoeverre en/of in redelijkheid van onderhoudsgerechtigden verwacht kan worden dat reeds uitgegeven bedragen alsnog worden terugbetaald. Mocht de rechter oordelen dat terugbetaling redelijkerwijs van de alimentatiegerechtigde verlangd kan worden, dan zal de rechter zich daarvan gemotiveerd in de beoordeling rekenschap moeten geven. Concreet betekent het voorgaande dat de rechter aan de hand van de feitelijke omstandigheden en het partijdebat moet onderzoeken wat de consequenties van een terugbetalingsverplichting zijn. Uiteraard is de rechter bij de beoordeling niet enkel afhankelijk van het verweer van de onderhoudsgerechtigde, maar de rechter mag daarbij ook betrekken de onderbouwing van het verzoek van de onderhoudsplichtige.

In de onderhavige kwestie heeft het Hof door op te nemen dat partijen in onderling overleg de terugbetalingsverplichting dienen te regelen, onvoldoende gemotiveerd dat in redelijkheid sprake dient te zijn van een terugbetalingsverplichting. Het Hof heeft niet inzichtelijk gemaakt welke gronden en argumenten doorslaggevend zijn geweest om van de vrouw te verlangen dat zij tot terugbetaling dient over te gaan. De Hoge Raad casseert en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam. Aardig aan deze uitspraak is dat de Hoge Raad nogmaals bevestigt dat behoedzaam gebruik gemaakt moet worden van de bevoegdheid om een terugbetalingsverplichting op te leggen en dat als een rechter hiertoe overgaat de motivering volstrekt helder dient te zijn. Tevens geeft de Hoge Raad aan dat partijen (en hun advocaten) zich bewust moeten zijn van dit toetsingskader en dat het standpunt voor of tegen een terugbetalingsverplichting duidelijk bepleit moet worden. Voor de praktijk betekent dit, zeker wanneer het om hoge alimentatieverplichtingen gaat, dat uitvoerig gemotiveerd moet worden wat de consequenties zijn van een wijziging met terugwerkende kracht. De enkele stelling ik heb de alimentatie verbruikt lijkt niet voldoende!

Mocht u vragen hebben over de hoogte van de partneralimentatie of wilt u de partneralimentatie laten wijzigen, dan kunt u altijd contact met ons opnemen voor nadere vragen.